Het Van Oeckelenorgel

>terug

Op 17 maart 1867 werd in de kerk van Tolbert een nieuw orgel in gebruik genomen, dat gemaakt was door de orgelmaker Petrus van Oeckelen. Schoolmeester R.Blomsma, die nu ook de functie van organist ging bekleden, bespeelde het orgel bij die gelegenheid. ‘s Avonds werd een ‘orgel- en zangfeest’ gehouden, waarbij ‘de onderscheiden onderwijzers uit de nabuurschap, en het zangkoor (....) ons kunstgenot zeer hebben verhoogd’.’)

Het eenklaviers achtvoets orgel kreeg een uiterlijk, dat vooral verwantschap vertoont met het Van Oeckelen-orgel te Kolderveen, waarvan het bouwjaar tot op heden niet bekend is, maar dat op grond van deze verwantschap ook op omstreeks 1865 kan worden gedateerd. Ook de vijfiedige fronten van de orgels te Noordwijk (Groningen) en Oentsjerk zijn verwant, maar bij deze twee fronten is de pijpvolgorde in de onderste tussenvelden tegengesteld aan die van het front te Tolbert.
Opmerkelijke kenmerken zijn voorts de gietijzeren ruitwerkvullingen onder het front en de bekroningen, bestaande uit samengebundelde muziekinstrumenten.

Met de aanschaf van het orgel was een bedrag van fi. 1512,50 gemoeid. Een contract of bestek is niet in het archief van de Hervormde gemeente aangetroffen.
Het onderhoud werd tot 1886 regelmatig door de firma Van Oeckelen uitgevoerd. Gedurende de jaren 1891 tot 1913 was het onderhoud in handen van de orgelmaker Renze Ypes Groustra (1 849-1918) te Groningen. Andreas Doornbos verrichtte onderhoud na 1913. H. Vegter uit Usquert herstelde het orgel in 1921 voor fi. 175,—. Klaas Doornbos (1888-1951) stemde het orgel enkele malen, na 1951 voerde A.J. Opten het onderhoud uit. Daarna kwam het onderhoud in handen van Mense Ruiter orgelmakers te Zuidwolde.

In al die jaren hadden de kerkvoogden weinig middelen tot hun beschikking om ingrijpende veranderingen te laten uitvoeren. In grote lijnen bleef het orgel dan ook in oorspronkelijke vorm bewaard. Twee veranderingen zijn nog wel het vermelden waard:
toen rond 1900 een vlak plafond in het schip werd aangebracht, is tengevolge hiervan de bekroning van de middentoren, waarschijnlijk een lier, spoorloos verdwenen.

In 1952 is de orgelkas, in het kader van een vernieuwing van het kerkinterieur, in een licht-crème tint overgeschilderd.
Dit laatste werd echter in het kader van de algehele kerkrestauratie van 1994 weer ongedaan gemaakt, bij die gelegenheid kregen frontzijde en zijwanden van de orgelkas de oorspronkelijke zwarte kleur weer terug, en werd het blinderingssnijwerk weer in een donkergroene kleur geschilderd.

 

Restauratie door Mense Ruiter orgelmakers, 2000-2001:

Nadat de staat van onderhoud van het orgel al lange tijd ernstig te wensen overliet, werd door de Stichting Oude Groninger Kerken in 1997 aan Jan Jongepier verzocht een restauratieplan op te stellen.
In februari van dat jaar was het restauratierapport gereed en werd door Mense Ruiter orgelmakers een offerte ingediend. Na een periode van administratieve verwerking en fondswerving kon de opdracht tot herstel worden gegeven. In de jaren 2000 en 2001 werd het werk uitgevoerd. De ingebruikneming vond plaats op 23 en 24 maart 2001.

De windladen zijn gerestaureerd zonder toevoeging van moderne klimaatresistente constructies. De spintdelen in de Van Oeckelen-lade konden worden behouden na intensieve behandeling en conservering. De in het walsraam aanwezige spintdelen waren echter zodanig aangetast door de houtworm dat aan vervanging van die delen niet viel te ontkomen.
Magazijnbalg en schepbalgen werden opnieuw beleerd.
Het zeer beschadigde handklavier werd hersteld, evenals het pedaalklavier, dat van de latere blauwgrijze verf werd ontdaan.
Het pijpwerk is geïnventariseerd, opgemeten, en vervolgens hersteld. Enkele ontbrekende pijpen zijn bijgemaakt.
Tenslotte is het orgel weer samengesteld, de mechanieken zijn afgeregeld, de intonatie is geëgaliseerd. De winddruk is 77.5 mm., de toonhoogte is 440 Hz op a’.
In overleg met de Stichting Oude Groninger Kerken is ook kritisch naar de kas en de omgeving van het orgel gekeken. Alle electrische voorzieningen zijn gesaneerd en van de kas verwijderd, de klaviatuuromgeving is in Van Oeckelen-trant opnieuw in grenenimitatie geschilderd, de achterwand werd ook opnieuw geschilderd.

Belang van het orgel:
Het bescheiden eenklaviers werk heeft een grote muzikale waarde vanwege de gaafheid van het charmante klankbeeld.
De pijpwerk-inventarisatie heeft uitgewezen dat Van Oeckelen in de discant van de Prestant 8 voet, op de lade geplaatst, enige oude pijpen gebruikte. Door de toevallige omstandigheid dat het onderzoek in Tolbert in tijd samenviel met de inventarisatie van het Hinsz-orgel te Harlingen (Grote kerk) kon eenvoudig worden vastgesteld dat deze pijpen van A.A.Hinsz zijn, en uit Harlingen afkomstig zijn, waar ze, na de ingrijpende vernieuwing van 1864, overcompleet waren geworden. Het grootste deel van dit kleine fragment is afkomstig uit het op de lade geplaatste deel van het dubbelkoor van de Prestant 8 voet Hoofdwerk.

 

Maar de meeste interesse ging bij de restauratie toch uit naar de oude windlade, die Van Oeckelen gebruikt had bij de bouw van het orgel in 1867. Dat dit zo was, was al langer bekend, en bij opening van de kas ook duidelijk waarneembaar.
Voor de tonen C tot en met Gis had Van Oeckelen een nieuw laatje gemaakt met chromatische pijpopstelling. In het verlengde hiervan had hij een oude, kennelijk 17e eeuwse lade geplaatst voor de tonen A tot en met f“. Deze 45 cancellen tellende lade,
met als hoofdmaten 1575 x 614 mm., zal dus oorspronkelijk als omvang gehad hebben CDEFGA—c“.

De lade is nauwgezet onderzocht en opgemeten, waarna de uitkomsten van één en
ander in een verslag zijn vastgelegd. In tegenstelling tot de huidige dispositie van 8 stemmen bezat de lade oorspronkelijk 9 registers. Eén sleep is thans onbezet, maar wel aanwezig, zij het zonder registermechaniek.
Door de omstandigheid, dat alle 17e eeuwse pijpstokken, alsmede de bijbehorende
roosters van de eerste 6 registers, gerekend vanaf het front, nog aanwezig zijn, hoewel
op sommige punten gewijzigd, dan wel van opdik voorzien, kon een beeld verkregen
worden van de oorspronkelijke indeling en mogelijke dispositie.
De 45 cancellen zijn verdeeld in middentoren van 7 cancellen, zijtorens van 7 cancellen, en tussenvelden van elk 12 cancellen, alles volgens piramidale opstelling, uitgenomen de middentoren in tertsen dus.

De dispositie omvatte:
1. enkelvoudig register
2. enkelvoudig register
3. enkelvoudig register
4. (de thans onbenutte sleep): enkelvoudig register
5. enkelvoudig register
6. doorlopend tweekorig register
7. Mixtuur 4-5 sterk
8. enkelvoudig register
9. bas/discant register, waarschijnlijk tongwerk.

Op grond hiervan is gepoogd, aan de hand van oude disposities van orgels die vóór 1867 zijn gesloopt of ingrijpend verbouwd, de herkomst van de lade vast te stellen. Dit is vooralsnog niet gelukt.

In elk geval bezit het Van Oeckelen-orgel van Tolbert een aanmerkelijke meerwaarde door de aanwezigheid van dit belangrijk 17e eeuws onderdeel.

Tenslotte de dispositie van het orgel:

Manuaal, C-f“
Prestant 8 voet
C-c“ front, rest op de lade.
Bourdon 8 voet
C-H grenen, afgevoerd, rest metaal, op de lade. gedekt, de 10 kleinsten open.
Fluit 4 voet
gedekt, de 10 kleinsten open
Viola di Gamba 8 voet
C-H gecombineerd met Bourdon 8 voet, vanaf c° metaal met hoog tingehalte,
merendeel voorzien van expressions
Octaaf 4 voet
In de bas expressions, de discant op natuurlijke lengte.
Quint 3 voet
In de bas expressions, de discant op natuurlijke lengte.
Octaaf 2 voet
Expressions tot en met f°, rest op lengte.
Trompet 8 voet
stevels metaal met messing band, koppen lood, bekers metaal, messing kelen.

Pedaal, C-a°

Aangehangen.

Werktuigelijk register: Ventiel.

Klaviatuur aan de rechter zijkant, uit de kerk gezien.

Magazijnbalg met schepbalgen onder in de orgelkas.

Bron: Het orgel in de kerk van Tolbert door Jan Jongepier